De bebloede
pyjama ligt als een verkreukelde lap stof aan mijn voeten, maar is een niet te
negeren bewijsstuk dat hier iets eigenaardigs aan de hand is. Nu ik wat langer
in de kamer ben, ruik ik ook een typische geur, maar kan deze niet
thuisbrengen. Ik kijk rond in de koude verborgen kamer…een onaangename kilte
neemt bezit van mijn hart. De mooie droom om samen in ons nieuwe huis te wonen
begint langzaamaan te veranderen in een nachtmerrie.
Thomas pakt me vast bij mijn elleboog en duwt me richting de uitgang van het trieste hok. Ik kijk nog even over mijn schouder, maar besluit om de pyjama te laten liggen. Thomas sluit de verborgen ruimte weer af. Hij maakt de kastdeur op slot en stopt de sleutel in zijn zak. Samen lopen we door de kamers op de bovenverdieping, alert op iedere onvolkomenheid, maar we zien niets opmerkelijks. De grote blauwe slaapkamer ligt er sereen bij. Ook in de kleine slaapkamer zien we, behalve een diepe scheur in de muur, geen ongewone dingen.
In de badkamer werp ik een snelle blik in de gebarsten spiegel, maar wendt mijn hoofd direct weer af; ik zie er net zo belabberd uit als ik me voel. Ik kijk naar de grauwe tegels met de aangekoekte kalkaanslag. Ineens valt mijn oog weer op het raam.
Het is
gesloten.
De
vochtplekken die her en der op het plafond te vinden zijn, worden schimmige
figuren.
Ik laat me, met mijn rug tegen de muur, op de koude tegels zakken en
begin te huilen. Deze week is een opeenstapeling van vreemde gebeurtenissen en zonderlinge
vondsten. Thomas gaat bedaard op de rand van de douchebak zitten en pakt mijn
hand vast. ‘Het wordt tijd dat wij samen even rust nemen,’ zegt hij.
Ik heb een
scenario in mijn hoofd dat is gebaseerd op bizarre feiten en gissingen, maar
durf dit nog niet met Thomas te delen. Nog nasnikkend veeg ik mijn tranen af
met de mouw van mijn trui. Stilletjes denk ik na: de glurende buurvrouw achter
het gordijn, haar zelfmoord, de briefjes overal in huis -ook na haar dood- en de
verborgen kamer. Het leek zelfs of er recent nog iemand in de kamer was
geweest. En dan nu weer het raam in de badkamer. Ik weet zeker dat ik het niet
geopend en niet gesloten heb. Er is iemand in huis. Wie? En van wie zijn die
bloedvlekken op de badkuip en de pyjama?
Harm van der
Staak heeft het goed verwoord: het lijkt wel of er een vloek rust op deze
buurt. Ik denk na over de zonderlinge dood van alle mensen die hier woonden. Het
is een vreemde opsomming; de vrouw van de slager, de man van de buurvrouw, de
buurvrouw zelf en natuurlijk de verdwijning van de zoon van de buurvrouw. Ik
bedenk me ineens dat niemand iets heeft verteld over de slager zelf. Waar is híj
gebleven? Is hij verhuisd of overleden? Heeft de slager iets met de verdwijning
van de zoon van mevrouw Pietersen te maken?
Allerlei
oplossingen van het mysterie buitelen door mijn hoofd, maar ik krijg het verhaal
niet kloppend. Ik kijk steels naar Thomas. Ook hij zit diep in gedachten verzonken,
zijn kin steunend in zijn hand, elleboog op zijn knie.
Juist als ik
aan Thomas wil voorstellen om met ons verhaal naar de politie te stappen, kijk
ik in de richting van de overloop. In het plafond zit het luik richting de
zolder. Het luik hebben we sinds onze bezichtiging -samen met de makelaar- niet
meer geopend.
In gedachten zie ik haarscherp hoe de makelaar aan het verfomfaaide,
bungelende touwtje trekt om het luik te openen.
Ik zie een
lege plek. Het touwtje is weg.
Wordt vervolgd...
Rennen of je leven ervan afhangt!
BeantwoordenVerwijderentja.....
BeantwoordenVerwijderende spanning zit er nu echt in, merk ik, want ik wil dat gevoel ook weer kwijt ( dus goed gedaan!
BeantwoordenVerwijderen